Kijken
(met en zonder camera)

Voor en over de camera

Gelukkig is dit geen kijk- maar een fotoblog, dus alles waar geen camera aan te pas is gekomen valt af: scheelt al gauw een paar honderd berichten. Verder telt alles: wat gefotografeerd, hoe, waarom, waarmee – het internet is geduldig.

Misschien geldt dat minder voor mijn lezers. Het risico bestaat dat ik me mee laat slepen door mijn enthousiasme, doordram over oninteressante onderwerpen of domweg foto’s laat zien die het aankijken niet waard zijn. Vandaar het pennetje onderaan deze kolom. Geef gerust kritiek, ik heb erom gevraagd. Aan de andere kant: loftuitingen mogen ook.

Reageren?
Klik hier

Twee vondelingen

Pipistrello en Houtenkat, 14 aug. 2019. 

(Sony A7Rii, Canon FD 2.0, 35mm, ISO 200, 1/13 sec., f/2.0)


De bruine kale kat hebben we het langst – al zeker 35 jaar. Komt uit Tsjechie toen het nog Tsjechoslovakije heette en is gesneden uit (vermoedelijk) beukenhout. We hebben hem opgeduikeld in Parijs op de marché aux puces van St. Ouen, nog voordat de yuppenwoontijdschriften vol stonden met alle bric-à-brac die je vandaar je huis moest inslepen om te laten zien dat je smaak had. Hij ligt inmiddels al vele jaren op de tot tafeltje omgebouwde hondenbench bij het raam – ‘s morgens in de zon, ‘s middags in het donker omdat de luiken dicht gaan. 


De andere, harige kat heet Pipistrello, en die zoekt met name ‘s morgens het gezelschap op van de kale. Pipistrello heet zo omdat hij sprekend op een vleermuis leek toen hij hij als katje van net een week oud ineens op ons terras liep, piepend, hongerig en verwaarloosd, samen met vier andere katjes die vermoedelijk door een onverschillige eigenaar in een schuur bij elkaar waren geraapt, in een doos gepropt en bij ons over het hek waren gekieperd. Zo lossen de luien en de makkelijken hun problemen op: ze nemen er geen verantwoording voor, maar dumpen ze elders.


We hebben ze alle vijf opgenomen, verzorgd en namen gegeven. Inmiddels lijkt Pipistrello allang niet meer op een vleermuis: het spitse snuitje is een brede kattenkop geworden, de grote oren zijn zijn normale kattenoren geworden, zijn puntige tandjes zijn tanden geworden – maar nog altijd voelbaar puntig, dat wel. Zijn dumpbroertje Rampi – zo genoemd omdat hij overal inklom (“rampicare” is Italiaans voor klimmen) hadden we beter Oblomov kunnen noemen, gezien zijn voorliefde voor languit liggend nietsdoen. Donna, het vrouwtje is de enige die haar naam en katzijn nog een beetje waar maakt: nu eens nuffig, dan weer aanhalig, dan weer wild. Van de overige twee heeft er eentje emplooi gevonden in het gezin van een beambte van de Italiaanse FIOD, de ander is een aantal jaren geleden overreden – vlak voor ons huis. Met vierduizend vierkante meter tuin en hectares akkerland aan drie kanten wilden ze coute que coute de weg over, naar het bosje aan de overkant. Afrasteringen, verboden, niets hielp. Katten klimmen wel, maar luisteren niet. Sinds de dood van Pico hebben we dus nog drie binnenkatten, waaronder Pipistrello.


In meer dan een opzicht is Pipistrello het buitenbeentje. Hij is de grootste van de drie, maar het merendeel is vacht. We hebben ooit eens een eekhoorn uit een emmer water gevist, en dan blijft er weinig over van bontvachtje of pluimstaart: hij leek nog het meest op een roodbruin ratje, met roze vel tussen de vacht doorschemerend en een lange dunne staart. We stellen ons voor dat water hetzelfde effect op Pipistrello zal hebben. Maar droog is het een omvangrijke kat, waarvan we trots beweren dat het een Noorse boskat is, alleen zonder stamboom. Langharigheid komt spontaan voor bij katten, en zo’n tachtig jaar geleden zijn hobbyisten daarop gaan selecteren en hebben ze het “ras” Noorse boskat uitgevonden. Tegenwoordig kun je voor een paar honderd euro een geregistreerde Noorseboskat-kitten kopen – of hij wordt als speling van Moeder Natuur door een buur in je tuin gedonderd.


Ook qua karakter heeft Pipistrello veel weg van de Noorse boskat. Die geldt in het algemeen als nogal schuw en eenzelvig, en ons exemplaar vormt daarop geen uitzondering. Zodra er een auto het erf oprijdt, verdwijnt hij – doorgaans onder de bank. Abrupt opstaan in zijn nabijheid is een no-go, en zijn maximale vorm van aanhaligheid bestaat uit het naast je stoel gaan staan en toestaan dat je hem aait. Als je dat doet, dan word je beloond met een luid gesnor – niet het traditionele kattangespin, meer als of er ergens vlakbij een heel klein tweetaktmotortje stationnair staat te draaien.

Verder in dit blog
Dutch NL English EN French FR German DE Italian IT